Cookies en Raadvanstate.nl

Mag Raadvanstate.nl cookies op uw computer plaatsen? De Raad van State maakt gebruik van cookies voor het bijhouden van webstatistieken en incidenteel voor andere doeleinden zoals een gebruikersonderzoek. Meer informatie

Ja, ik accepteer de cookies

Raadvanstate.nl verzamelt anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

Nee, ik accepteer de cookies niet

Raadvanstate.nl verzamelt geen anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

 
De samenstelling van de Raad en zijn Afdelingen
Eén Raad, meerdere taken
De Raad en het Koninkrijk
Europese samenwerking
Kwaliteit
Externe contacten
Algemene verordening gegevensbescherming

Constitutioneel recht

Het constitutioneel recht is een kennisgebied dat beide Afdelingen van de Raad van State raakt. Het gaat daarbij onder meer om de toepassing en uitleg van de Grondwet, het Statuut voor het Koninkrijk, het constitutionele recht van de Europese Unie en mensenrechtenverdragen. Binnen de Raad vormt het constitutioneel recht een permanent aandachtspunt bij de ontwikkeling van kennis en onderzoek.

Zo is in 2018 onderzoek gedaan naar de grondwettelijke beperkingssystematiek. Deze kenmerkt zich door een sterk legaliteitsvereiste. Beperkingen van bepaalde grondrechten, zoals het recht van vereniging, zijn alleen mogelijk wanneer de Grondwet aan de formele wetgever – regering en parlement – de bevoegdheid toekent om daaraan beperkingen te stellen. Beperkingen van andere grondrechten, zoals het recht van betoging, kunnen wel op een lager niveau plaatsvinden, maar alleen als de Grondwet dat toestaat. Inhoudelijke vereisten waaraan alle beperkingen van grondrechten moeten voldoen, zoals de eis van voorzienbaarheid, zijn niet met zoveel woorden in de tekst van de grondwetsbepalingen opgenomen. Alleen voor de beperking van een aantal grondrechten stelt de grondwetgever nadrukkelijk een of meer eisen, bijvoorbeeld dat een beperking slechts mogelijk is om de openbare orde of de nationale veiligheid te beschermen. Waar de grondwetgever geen uitdrukkelijke inhoudelijke eisen stelt, lijkt alleen de legaliteitseis te gelden, als wordt afgegaan op de tekst van de Grondwet.

Dit betekent niet dat er helemaal geen inhoudelijke eisen gelden voor beperkingen van grondwettelijke grondrechten. Uit de parlementaire stukken bij de grondwetsherziening van 1983 kan worden opgemaakt dat de wetgever meer moet doen. Zo moet hij zich ‘ten volle’ bewust zijn van de gelding van de Grondwet. Daarnaast moet hij ervoor zorgen dat de grondslag voor een beperking voldoende specifiek is. Bovendien moet de wetgever ervoor zorgen dat de uitoefening van grondrechten niet illusoir wordt gemaakt. In deze aansporingen liggen eisen van rechtszekerheid, proportionaliteit en een evenwichtige belangenafweging besloten. De ontwikkelingen in de rechtsopvattingen en in het regeringsbeleid in de periode na 1983 sluiten hierbij aan. Ook corresponderen deze eisen met eisen die volgen uit algemene rechtsbeginselen, het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met deze aanknopingspunten voor een inhoudelijke invulling van de grondwettelijke beperkingsclausules heeft een toetsing door de Afdeling advisering aan de Grondwet zelfstandige betekenis, naast die aan Europese en internationale mensenrechten.

De uitleg van het grondwettelijk wetsbegrip komt ook aan de orde bij de bestuursrechtspraak, bijvoorbeeld in de zaak over het gebiedsverbod voor twee Haagse wijken. De toepassingsvereisten voor het opleggen van een maatregel die de bewegingsvrijheid beperkt door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie zijn in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) geformuleerd door middel van open termen. De tekst van deze bepaling vermeldt niet dat een gebiedsverbod kan worden opgelegd om het recht op het vrij belijden van godsdienst of het recht op vrije meningsuiting te beperken. Dit betekende echter niet dat de minister het gebiedsverbod had opgelegd in strijd met het uit de woorden ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’ voortvloeiende vereiste dat alleen de formele wetgever de in artikel 6, eerste lid, en artikel 7, derde lid, van de Grondwet neergelegde grondrechten kan beperken. De Twbmt is een formele wet als bedoeld in deze grondwetbepalingen. De wet bevat in artikel 2, eerste lid, de bepaling die tot een beperking van die grondrechten kan leiden. De termen in deze bepaling zijn noodzakelijkerwijs open, gezien de aard van de maatregel. Nadere precisering vooraf van de omstandigheden waaronder het opleggen van de maatregel noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, was volgens de Afdeling bestuursrechtspraak niet goed mogelijk. Hetzelfde gold voor het soort gedragingen dat in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Een nadere invulling door de minister bij de besluitvorming over de toepassing van artikel 2 in een concreet geval is daarom onvermijdelijk. Ter vergelijking werd gewezen op de open geformuleerde bepalingen ten aanzien van beledigings- en haatzaaidelicten. Deze fungeren evenzeer als wetten die het recht op het vrij belijden van godsdienst en het recht op vrije meningsuiting kunnen beperken. Voor de vraag of een maatregel die de vrijheid van beweging beperkt, uitsluit dat een opgelegd gebiedsverbod mede tot gevolg kan hebben dat het recht op het vrij belijden van godsdienst en het recht op vrije meningsuiting beperkt worden, was van belang dat de wetgever heeft aanvaard dat oplegging van een Twbmt-maatregel die de bewegingsvrijheid beperkt, mede de vrijheid van godsdienst kan beperken. Mede op grond daarvan was het opgelegde gebiedsverbod in deze zaak verenigbaar met de Grondwet.