Cookies en Raadvanstate.nl

Mag Raadvanstate.nl cookies op uw computer plaatsen? De Raad van State maakt gebruik van cookies voor het bijhouden van webstatistieken en incidenteel voor andere doeleinden zoals een gebruikersonderzoek. Meer informatie

Ja, ik accepteer de cookies

Raadvanstate.nl verzamelt anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

Nee, ik accepteer de cookies niet

Raadvanstate.nl verzamelt geen anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

 

Vreemdelingenkamer

Schorsende werking hoger beroep in asielzaken

Drie zaken van de Vreemdelingenkamer trokken in 2018 bijzondere aandacht. De eerste betreft de discussie over het ontbreken van schorsende werking van het hoger beroep in vreemdelingenzaken. Volgens de Nederlandse Vreemdelingenwet 2000 schorst het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank niet de werking van die uitspraak. Als de rechtbank een beroep van een vreemdeling tegen een afwijzing van een asielaanvraag ongegrond heeft verklaard, betekent dit dat de vreemdeling kan worden uitgezet, ook al heeft hij bij de Afdeling bestuursrechtspraak hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ingesteld en is daarop nog niet beslist. Wel kan de vreemdeling de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak vragen om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij de uitkomst van het hoger beroep in Nederland mag afwachten.

In een arrest van 5 juli 2016, A.M. tegen Nederland, oordeelde het EHRM dat het ontbreken van automatische schorsende werking meebracht dat het hoger beroep geen effective remedy was. Dit betekende dat een asielzoeker zich na een voor hem negatieve rechtbankuitspraak tot het EHRM kon wenden, zonder eerst hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak in te stellen. De wetgever heeft daarin tot dusver geen aanleiding gezien om aan het hoger beroep alsnog automatische schorsende werking te verbinden. Deze uitspraak leidde binnen de Afdeling bestuursrechtspraak tot verschillende acties. Bij uitspraak van 20 december 2016 gaf de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak aan dat hij voortaan vaker dan voorheen een verzoek om voorlopige voorziening van een vreemdeling zou toewijzen, namelijk zodra de vreemdeling een arguable claim had dat schending van artikel 3 van het EVRM dreigde (verbod van onmenselijke behandeling). Dit heeft geleid tot een zeer aanzienlijke toename van het aantal voorlopige voorzieningen bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

In de uitspraak van 29 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter vervolgens aan het HvJ-EU de prejudiciële vraag gesteld of wellicht het Unierecht, meer in het bijzonder artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn, Nederland verplichtte tot het toekennen van automatisch schorsende werking aan het hoger beroep. Zij stelde deze vraag in een zaak van twee Russische asielzoekers. In het arrest van 26 september 2018 heeft het HvJ-EU deze vraag ontkennend beantwoord. Het HvJ-EU gaf aan dat Nederland voldoet aan de Unierechtelijke eis van effectieve rechtsbescherming, doordat het beroep bij de rechtbank in asielzaken in beginsel schorsende werking heeft. Het Unierecht eist niet dat in asielzaken hoger beroep openstaat en dus ook niet dat dit hoger beroep schorsende werking heeft, aldus het HvJ-EU.

Armeense kinderen

Zeer veel aandacht trok in 2018 de asielzaak van de Armeense kinderen Lili en Howick. Deze kinderen verbleven al vele jaren in Nederland. Hun moeder had diverse malen een verblijfsvergunning aangevraagd, mede namens hen, maar telkens zonder succes. In 2017 is de moeder zonder de kinderen uitgezet naar Armenië, omdat zij hun verblijfplaats toen niet wilde onthullen. Vervolgens hebben de kinderen zelf asiel gevraagd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af. Lili en Howick stelden daartegen beroep in, maar de rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de aanvraag mocht afwijzen. Daarop gingen de kinderen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Dat leidde, na een drukbezochte zitting waarbij ook televisiecamera’s aanwezig waren, tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 24 augustus 2018. Daarin oordeelde ook de Afdeling bestuursrechtspraak dat de staatssecretaris de asielaanvragen mocht afwijzen. De kinderen hadden niet te vrezen voor vervolging of ernstige schade door een onmenselijke behandeling door de Armeense autoriteiten. Evenmin was er gevaar dat zij in Armenië in een mensonterende situatie terecht zouden komen. Bij dit laatste was van belang dat de staatssecretaris zich ervan had vergewist dat ook in Armenië voldoende opvang voor de kinderen aanwezig was.

De staatssecretaris trof vervolgens voorbereidingen om de kinderen op zaterdag 8 september 2018 uit te zetten. Maar het liep anders. Nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op vrijdagavond nog een verzoek had afgewezen om de uitzetting te schorsen, besloot de staatssecretaris op zaterdag om de kinderen alsnog een verblijfsvergunning te verlenen.

Verwesterde vrouwen

Ook veel aandacht van pers en publiek trokken drie zaken van jonge vrouwen, twee uit Afghanistan en één uit Somalië. Zij stelden dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ten onrechte had geweigerd om hen asiel te verlenen op grond van de westerse levensstijl die zij na jaren verblijf in Nederland hadden ontwikkeld. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter in een uitspraak van 21 november 2018 over één van de Afghaanse vrouwen dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat haar westerse levensstijl voortkwam uit een politieke of godsdienstige overtuiging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, noch dat anderen haar op grond van die levensstijl een zodanige overtuiging zouden toedichten. Zij kon dus niet worden aangemerkt als vluchteling.

Wel stond vast dat zij in Afghanistan te vrezen had voor een onmenselijke behandeling als zij haar westerse levensstijl daar ongewijzigd zou voortzetten. In dat kader mocht de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van haar verlangen dat zij haar levensstijl weer zou aanpassen aan de normen en verwachtingen die in Afghanistan gelden. Die zijn voor vrouwen in Afghanistan nu eenmaal heel anders dan in Nederland. Het asielrecht is niet bedoeld of in staat om al die verschillen weg te nemen.

Uiteindelijk sneuvelde het besluit om haar asiel te weigeren toch. De vrouw had namelijk ook aangevoerd dat zij haar gedrag niet meer op alle punten kon aanpassen, ook al zou zij zich willen aanpassen en weer traditionele kleding gaan dragen. Zij zou bijvoorbeeld eenvoudig niet meer in staat zijn om zich in het bijzijn van mannen zo onderdanig te gedragen als in Afghanistan wordt verwacht. Dit laatste punt had de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak onvoldoende onderzocht en beoordeeld, zodat hij de besluitvorming op dat punt over moet doen. Over de andere twee vrouwen deed de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraken (ECLI:NL:RVS:2018:3736 en ECLI:NL:RVS:2018:3737) van gelijke strekking.

Het vermelden waard is nog dat de Afdeling bestuursrechtspraak op de dag waarop ze deze uitspraken deed, een video op de website van de Raad van State heeft gepubliceerd, waarin persstaatsraad Hanna Sevenster een aantal te verwachten vragen over de uitspraak beantwoordt.