Cookies en Raadvanstate.nl

Mag Raadvanstate.nl cookies op uw computer plaatsen? De Raad van State maakt gebruik van cookies voor het bijhouden van webstatistieken en incidenteel voor andere doeleinden zoals een gebruikersonderzoek. Meer informatie

Ja, ik accepteer de cookies

Raadvanstate.nl verzamelt anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

Nee, ik accepteer de cookies niet

Raadvanstate.nl verzamelt geen anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

 

Algemene kamer

In 2018 stonden de volgende drie uitspraken in de maatschappelijke belangstelling met de nodige media-aandacht tot gevolg. Alle drie gingen ze over fundamentele rechten.

Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (gebiedsverbod)

Op 30 mei 2018 deed de Afdeling bestuursrechtspraak haar eerste uitspraak over de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt). Aan de orde was een gebiedsverbod voor twee Haagse wijken. De toenmalige minister van Veiligheid en Justitie stelde dat de betrokkene wegens invloedrijke activiteiten als verspreider van jihadistisch gedachtegoed in verband werd gebracht met het ondersteunen van terroristische activiteiten. Dit standpunt mocht de minister van de Afdeling bestuursrechtspraak innemen, omdat de betrokkene preken of toespraken hield in aanwezigheid van publiek uit de wijken die voor radicalisering vatbaar zijn of gesprekken voerde met personen uit deze wijken. De minister mocht vinden dat toehoorders door de toespraken of preken de conclusie trekken dat zij de gewapende strijd moeten aangaan. De wetgever heeft aanvaard dat een beperking van de bewegingsvrijheid tevens het vrij verspreiden van gedachtegoed en het vrij belijden van godsdienst kan beperken. Deze beperkingen vinden hun basis in artikel 2 van de Twbmt en zijn niet in strijd met de artikelen 6 en 7 van de Grondwet. De inmenging die het gebiedsverbod vormt in de grondrechten van het EVRM is gerechtvaardigd. De inmenging is bij wet voorzien, dient legitieme doelen, is noodzakelijk in een democratische samenleving en gaat niet verder dan nodig is.

Pastafarisme

Op 15 augustus 2018 volgde de uitspraak over de vraag of een lid van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster, die het pastafarisme belijdt, het recht heeft om op een reisdocument of rijbewijs afgebeeld te staan met een vergiet op het hoofd. De burgemeester had de aanvragen afgewezen, omdat de pasfoto’s, waarop betrokkene met een vergiet als hoofdbedekking stond afgebeeld, niet voldeden aan de Paspoortuitvoeringsregeling. Volgens betrokkene is het pastafarisme een godsdienst of levensbeschouwelijke stroming. De burgemeester had daarom volgens haar de uitzondering moeten toepassen op de eis van een onbedekt hoofd (artikel 28, derde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling). Het pastafarisme voldoet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak naar de huidige stand van zaken niet aan de randvoorwaarden die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft geformuleerd om een godsdienst of levensovertuiging te zijn in de zin van artikel 9 van het EVRM of artikel 6 van de Grondwet. In het bijzonder ontbreekt het aan de vereiste ernst (‘seriousness’) en samenhang (‘cohesion’). Het satirische karakter van het pastafarisme overheerst zodanig dat daarop de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging niet van toepassing is, maar veeleer de vrijheid van meningsuiting. Het satirische karakter komt tot uitdrukking in parodiërende geschriften, zoals onder andere het Old Pastament en het New Pastament. De burgemeester mocht de aanvragen afwijzen, omdat de pasfoto’s niet voldeden aan de gestelde criteria.

Subsidieaanvraag zwangere wetenschapper

De uitspraak van 31 oktober 2018 ging over een zwangere universitair hoofddocent die een Vidi-subsidie van € 800.000 had aangevraagd voor haar onderzoeksvoorstel. Het bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) had de aanvraag afgewezen. In geschil was of NWO in de procedure voldoende rekening had gehouden met de vergevorderde zwangerschap van aanvraagster. De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelt het besluitvormingsproces van NWO in het licht van de bescherming die de wet aan zwangere vrouwen geeft in de vorm van verlof en de uit verdragen voortvloeiende verplichting om het nadeel dat zwangere vrouwen ondervinden proactief op te heffen door geëigende maatregelen te treffen. Aan dat laatste heeft het ontbroken, waardoor aanvraagster in een ongunstigere positie terecht is gekomen ten opzichte van mannelijke en niet-zwangere vrouwelijke subsidieaanvragers. In algemene zin is het beleid van NWO niet discriminatoir, maar in dit geval is het besluit op de aanvraag in strijd met de zorgvuldigheid voorbereid en genomen: er is geen maatwerk geleverd waar dat wel geboden was. Aan die zorgvuldigheid worden hoge eisen gesteld, omdat een fundamenteel recht in het geding is: het recht op gelijke behandeling. De Afdeling bestuursrechtspraak bepaalde dat NWO de aanvraag in een eerstvolgende subsidieronde moet betrekken, als betrokkene daarvoor opteert. Het NWO moet daarvoor contact opnemen met betrokkene.