Cookies en Raadvanstate.nl

Mag Raadvanstate.nl cookies op uw computer plaatsen? De Raad van State maakt gebruik van cookies voor het bijhouden van webstatistieken en incidenteel voor andere doeleinden zoals een gebruikersonderzoek. Meer informatie

Ja, ik accepteer de cookies

Raadvanstate.nl verzamelt anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

Nee, ik accepteer de cookies niet

Raadvanstate.nl verzamelt geen anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

 
Advisering
Toetsing constitutioneel recht
Klimaat en duurzaamheid
Burgerperspectief
Digitalisering
Stelselvastheid
Open normen en rechtszekerheid
Onafhankelijk begrotingstoezicht

Toetsing constitutioneel recht

Constitutionele toets in het wetgevingsproces

Wetten en regels moeten in overeenstemming zijn met het (inter)nationaal constitutioneel recht. In november 2018 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een brief aan de Tweede Kamer laten weten de aandacht voor constitutionele toetsing in het wetgevingsproces te versterken. Dit zal onder meer gebeuren door nadrukkelijker aandacht te besteden aan de verhouding tot constitutionele regelingen in de memories van toelichting.

Constitutionele toets door de Afdeling advisering

De Afdeling advisering toetst als onafhankelijk adviseur of wetsvoorstellen voldoen aan het constitutioneel recht in ruime zin. Daaronder vallen de Grondwet, het Statuut voor het Koninkrijk en Europese en internationale mensenrechtenverdragen. Bij een toets op de verenigbaarheid met grondrechtenbepalingen in de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan meestal niet worden volstaan met een zuiver juridische toets. De Afdeling advisering besteedt ook aandacht aan de dieperliggende betekenis van grondrechten in een democratische rechtsstaat. Zij beoordeelt het effect van het voorstel in dit bredere kader.

Straffen en voorwaardelijke invrijheidstelling

Zo is het recht op een eerlijk en behoorlijk proces in het geding bij het initiatiefwetsvoorstel van het Tweede Kamerlid Markuszower (PVV) over de invoering van hoge minimumstraffen voor bepaalde gewelds- en zedendelicten. De Afdeling advisering merkt in haar advies op dat het wetsvoorstel door de hoge wettelijke minimumstraffen onrechtvaardige en onaanvaardbare straffen tot gevolg zou hebben, zonder goede mogelijkheden voor de rechter om daarvan te kunnen afwijken. Het voorstel houdt geen rekening met de uitkomsten van de voorgestelde minimumstraffen in concrete strafzaken.

In een andere zaak stelt de regering voor om gedetineerden aan het einde van hun vrijheidsstraf niet langer dan twee jaar voorwaardelijk in vrijheid te laten doorbrengen. Aangezien de voorwaardelijke invrijheidstelling nu maximaal een derde deel van de straf kan beslaan, betekent dit een aanzienlijke verkorting voor langgestraften. De Afdeling advisering wijst erop dat deze korte periode onvoldoende recht doet aan het belang van een goede re-integratie van langgestraften aan het einde van de vrijheidsstraf. Het vergroot daarmee het risico dat juist gestraften uit de zwaarste categorie vrijkomen zonder voldoende begeleiding. De consequentie hiervan kan ook zijn dat het zwaartepunt van de re-integratie en het toezicht hierop komt te liggen op de proeftijd na afloop van de straf. Deze proeftijd kan ongelimiteerd worden verlengd. Die ongelimiteerde verlenging staat volgens de Afdeling advisering op gespannen voet met de persoonlijke vrijheid van betrokkenen, zoals neergelegd in het EVRM en in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De veroordeelde moet zich immers na afloop van de vrijheidsbeneming gedurende een zeer lange periode houden aan de voorwaarden die hem zijn opgelegd en is onderworpen aan het toezicht hierop. De Afdeling adviseert de periode van de voorwaardelijke invrijheidstelling opnieuw te bezien en voor de verlengde proeftijd in de wet een tijdslimiet op te nemen.

Toetsing aan het Statuut

De toetsing aan het Statuut voor het Koninkrijk is ook een onderdeel van de constitutionele toets. In het advies over het wetsvoorstel dat strekt tot goedkeuring van de brede economische handelsovereenkomst van de EU met Canada (CETA) wijst de Afdeling advisering erop dat het wetsvoorstel CETA alleen goedkeurt voor het Europese deel van het Koninkrijk. Het verdrag gaat over zaken die echter ook de Caribische delen van het Koninkrijk raken. Omdat de werkingssfeer van CETA de werkingssfeer van de verdragen van de Europese Unie volgt, staat het verdrag in beginsel ook open voor toetreding door de Caribische delen van het Koninkrijk. De Afdeling adviseert hieraan in de toelichting aandacht te besteden en daarbij uiteen te zetten hoe de overige landen van het Koninkrijk bij de voorbereiding van CETA zijn betrokken.