Cookies en Raadvanstate.nl

Mag Raadvanstate.nl cookies op uw computer plaatsen? De Raad van State maakt gebruik van cookies voor het bijhouden van webstatistieken en incidenteel voor andere doeleinden zoals een gebruikersonderzoek. Meer informatie

Ja, ik accepteer de cookies

Raadvanstate.nl verzamelt anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

Nee, ik accepteer de cookies niet

Raadvanstate.nl verzamelt geen anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

 
Rechtseenheid binnen de Afdeling bestuursrechtspraak
Rechtsontwikkeling en externe rechtseenheid
De conclusiezaken in 2014
Samenwerking met Gemeenschappelijk Hof
Belangwekkende uitspraken
Aantallen, doorlooptijden en digitalisering

Belangwekkende uitspraken

In 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer de volgende belangwekkende uitspraken gedaan.

Sinterklaasintocht Amsterdam 2013

Een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak met een zaaksoverstijgend maatschappelijk en juridisch belang is die van 12 november 2014 over de vergunning die de burgemeester van Amsterdam in 2013 verleende voor de Sinterklaasintocht. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester de vergunningaanvraag voor die intocht terecht alleen heeft getoetst aan de eisen van openbare orde en veiligheid. Hij is niet bevoegd de vraag te beantwoorden of van de figuur van ‘Zwarte Piet’ een discriminerend effect uitgaat en daardoor een schending oplevert van het grondrecht op respect voor het privéleven en het discriminatieverbod. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de bevoegdheid van de burgemeester bij het verlenen van evenementenvergunningen is beperkt tot het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Hiermee wordt gedoeld op het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven. Het begrip ‘openbare orde’ is niet zó ruim dat de burgemeester bij de handhaving daarvan ook rekening zou moeten houden met het voorkomen van stigmatisering, ongelijke behandeling of discriminatie.

Een ander oordeel zou betekenen dat de burgemeester, vaak zelfs vooraf, zou moeten beoordelen of bijvoorbeeld een evenement of een betoging inhoudelijk toelaatbaar is. Dat is niet in overeenstemming met het Nederlandse grondwettelijk stelsel. Daaruit volgt dat de burgemeester bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de inhoudelijke toelaatbaarheid van publieke uitingen niet mag beoordelen. Nu de burgemeester bij de verlening van de evenementenvergunning voor de Sinterklaasintocht 2013 niet mocht beoordelen of eventueel inbreuk wordt gemaakt op de grondrechten, mag de bestuursrechter die de rechtmatigheid van het besluit van de burgemeester moet toetsen, dat ook niet. Dit betekent dat ook de Afdeling bestuursrechtspraak de vraag of de figuur van ‘Zwarte Piet’ bij de intocht van Sinterklaas een schending oplevert van het recht op respect voor het privéleven of in strijd is met het discriminatieverbod niet mag en dus niet zal beantwoorden. De vraag of de figuur van ‘Zwarte Piet’ daadwerkelijk in strijd is met grondrechten kan niettemin aan een rechter worden voorgelegd, maar dan niet in een procedure tegen de burgemeester over de evenementenvergunning voor de Sinterklaasintocht. Op die wijze is verzekerd dat Nederland als Staat voldoet aan zijn verplichtingen op grond van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Deze rechtsvormende zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak met een zeer korte doorlooptijd kunnen afdoen.

Misbruik van recht in het bestuursrecht

Op 19 november 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in drie zaken uitspraak gedaan over misbruik van recht in procedures op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat een beroep niet-ontvankelijk is als misbruik wordt gemaakt van recht. Voor het niet inhoudelijk behandelen van een beroep vanwege misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, omdat daarmee in feite de toegang tot de rechter wordt ontzegd. Zwaarwichtige gronden zijn aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat daarmee blijk wordt gegeven van kwade trouw.

Alcoholslotprogramma

In 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een zaak behandeld over het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om het rijbewijs van een particulier ongeldig te verklaren en een alcoholslotprogramma aan hem op te leggen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het CBR vragen gesteld over de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 waarop het alcoholslotprogramma is gebaseerd. In haar uitspraak van 4 maart 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld dat de minister van Infrastructuur en Milieu bij het opstellen van de regeling “de mogelijk ingrijpende gevolgen van de oplegging van het alcoholslotprogramma, die zich in de praktijk regelmatig voordoen, niet afdoende heeft afgewogen”. Het CBR moet een alcoholslotprogramma opleggen als aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan, zonder dat het daarbij rekening mag houden met de persoonlijke omstandigheden van de bestuurder. De regeling geeft het CBR geen ruimte om een individuele afweging te maken wanneer het alcoholslotprogramma in een concreet geval ingrijpende gevolgen heeft. Het verplicht opleggen van een alcoholslotprogramma leidt daarom in de praktijk tot ongelijkheid en willekeur, omdat het voor de één veel ernstiger gevolgen heeft dan voor de ander. Om die reden acht de Afdeling bestuursrechtspraak de bepaling waarin die verplichting is opgenomen, onverbindend.

Tracébesluit A2 ‘s-Hertogenbosch – Eindhoven

In een uitspraak van 10 december 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het tracébesluit ‘A2 ‘s-Hertogenbosch – Eindhoven’ van de minister van Infrastructuur en Milieu definitief in stand gelaten. Het tracébesluit van juni 2011 regelt de verbreding van de A2 tussen de aansluiting Veghel op de A2 en de aansluiting Ekkersrijt op de A58. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde het Hof van Justitie in Luxemburg in november 2012 prejudiciële vragen omdat zij voor de vraag stond of de wegverbreding de ‘natuurlijke kenmerken’ van het nabijgelegen Natura 2000-gebied zou aantasten. Volgens de minister was dat niet het geval, omdat het tracébesluit uit 2011 ook voorzag in de aanleg van nieuwe blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied. De Afdeling bestuursrechtspraak wilde van het Hof van Justitie weten of zo’n maatregel op grond van de Europese Habitatrichtlijn mag worden meegenomen bij de beoordeling of de natuurlijke kenmerken van het natuurgebied worden aangetast. In mei 2014 deed het Hof van Justitie uitspraak. Op basis daarvan oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de minister de aanleg van nieuwe blauwgraslanden niet mocht meenemen in haar beoordeling. Vanwege de uitkomst van een nieuwe natuuronderzoek van juni 2014 kan het tracébesluit echter toch in stand blijven. De minister heeft naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak op basis van dat onderzoek naar de gevolgen van de wegverbreding de zekerheid verkregen dat de ‘natuurlijke kenmerken’ van het nabijgelegen Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Uit het onderzoek blijkt dat de blauwgraslanden zich in betere staat bevinden dan werd aangenomen in het natuuronderzoek dat ten grondslag lag aan het tracébesluit van juni 2011. Bovendien blijkt uit het nieuwe onderzoek dat het oppervlakte blauwgraslanden is toegenomen. Ten slotte is de stikstofneerslag als gevolg van de wegverbreding structureel lager dan in het eerste natuuronderzoek werd verwacht. De wegverbreding zal dan ook geen ecologische effecten hebben op de blauwgraslanden, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.

Ontpoldering ‘Hertogin Hedwigepolder’

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in haar uitspraak van 12 november 2014 de beroepen tegen het rijksinpassingsplan ‘Hertogin Hedwigepolder’ ongegrond verklaard. Dit betekent dat de Hedwigepolder, na aankoop door de Staat, onder water kan worden gezet voor de aanleg van 295 hectare nieuwe getijdennatuur. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat er in de afgelopen jaren voldoende onderzoeken zijn gedaan naar mogelijke alternatieven, waarbij de ontpoldering van de Hedwigepolder ook niet zonder meer als uitgangspunt is genomen. Nu ontpoldering in vergelijking met de alternatieven het meest gunstig is uit het oogpunt van natuurherstel, mochten de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken dit als uitgangspunt nemen bij hun besluit. Verder is de Afdeling bestuursrechtspraak van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat het rijksinpassingsplan zal bijdragen aan de uitbreiding van de getijdennatuur in het gebied, hoewel niet duidelijk is wat het precieze tempo is waarin de verschillende habitattypen zich zullen ontwikkelen.

Vreemdelingen van Oeigoerse afkomst en artikel 3 van het EVRM

Op 24 december 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan over de afwijzing van een asielaanvraag van een vreemdeling van Oeigoerse afkomst. Hij had volgens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar China een risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vreemdeling gelet op het jaarverslag van de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst aannemelijk heeft gemaakt dat de Chinese autoriteiten in vergaande mate geïnteresseerd zijn in en kennis hebben van activiteiten van Oeigoeren in Nederland. Ook hebben de Chinese autoriteiten belangstelling voor en kennis van Oeigoeren die, zoals de vreemdeling, in Nederland hebben deelgenomen aan een demonstratie die de Chinese autoriteiten beschouwen als tegen de Chinese staat gericht. Desgevraagd kon de staatssecretaris geen precieze informatie geven over het aantal inwilligende besluiten – in Nederland of in omringende landen – op asielaanvragen van Oeigoeren en over de verschillen tussen die inwilligingen en de afwijzing. Ook deelde de staatssecretaris desgevraagd mee niet over informatie te beschikken over de behandeling door de Chinese autoriteiten van Oeigoeren die uit Nederland of omringende landen zijn teruggekeerd. Onder deze omstandigheden heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

Vreemdelingen van Eritrese afkomst en artikel 3 van het EVRM

Op 24 april 2014 deed de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraken in zaken over asielzoekers uit Eritrea. De vreemdelingen hebben in Nederland asiel aangevraagd omdat zij bij terugkeer naar Eritrea een onmenselijke behandeling vrezen. Zij zijn weliswaar op legale wijze met een uitreisvisum uit Eritrea vertrokken, maar dit visum is verlopen. De asielzoekers vrezen dat de Eritrese autoriteiten hen bij terugkeer ervan zullen verdenken dat zij in het buitenland een asielaanvraag hebben ingediend. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft de asielaanvragen afgewezen. De staatssecretaris erkent dat vreemdelingen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM als de Eritrese autoriteiten vermoeden dat zij een asielaanvraag hebben ingediend. Dit zal zich volgens hem bij de vreemdelingen niet voordoen, omdat zij niet illegaal zijn uitgereisd en zelfstandig kunnen terugkeren. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Hierbij heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van belang geacht dat ervan moet worden uitgegaan dat de termijn van de uitreisvisa is overschreden en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Eritrea geen duidelijkheid geeft over de vraag of en op welke wijze in een zodanig geval een vreemdeling bij terugkeer in Eritrea door de autoriteiten wordt ondervraagd over het verblijf buiten dat land. Bovendien is de staatssecretaris niet ingegaan op de vraag of reeds de overschrijding van de duur van het buitenlands verblijf op zichzelf voldoende is om aan te nemen dat de Eritrese autoriteiten de vreemdelingen ervan zullen verdenken dat zij asielaanvragen hebben ingediend.