Cookies en Raadvanstate.nl

Mag Raadvanstate.nl cookies op uw computer plaatsen? De Raad van State maakt gebruik van cookies voor het bijhouden van webstatistieken en incidenteel voor andere doeleinden zoals een gebruikersonderzoek. Er worden tijdens uw bezoek geen cookies geplaatst door anderen dan de Raad van State zelf. Meer informatie op raadvanstate.nl/cookies.

Ja, ik accepteer de cookies

Raadvanstate.nl verzamelt anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

Nee, ik accepteer de cookies niet

Raadvanstate.nl verzamelt geen anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

 

Toetsing

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft een aantal belangrijke uitspraken gedaan waarin (de indringendheid van) toetsing centraal stond.

Indringender toetsing asielbesluit door bestuursrechter

Allereerst was er in het vreemdelingenrecht aandacht voor de indringendheid van de toetsing door de bestuursrechter. Het onderwerp was vooral actueel door de inwerkingtreding van artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn, geïmplementeerd in het nieuwe artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000, en de gevolgen daarvan voor de toetsing van besluiten over de geloofwaardigheid van een asielrelaas.

De Afdeling bestuursrechtspraak deed op 13 april 2016 in twee zaken, ECLI:NL:RVS:2016:890 en ECLI:NL:RVS:2016:891, uitspraak over de indringendheid van de rechterlijke toetsing in asielzaken. Zij is tot het oordeel gekomen dat de rechter een standpunt van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over de geloofwaardigheid van een asielrelaas indringender toetst. De tot dat moment geldende terughoudende rechterlijke toetsing van het geloofwaardigheidsoordeel is daarbij verlaten. De staatssecretaris behoudt slechts beslissingsruimte bij zijn beoordeling van de verklaringen van een vreemdeling die niet met bewijs zijn gestaafd. Dat hij die beslissingsruimte heeft, laat echter onverlet dat hij de manier waarop hij deze beslissingsruimte gebruikt van een deugdelijke motivering moet voorzien, die voor de bestuursrechter controleerbaar is.

De meer indringende toetsing is daarna in verschillende uitspraken uitgewerkt en ook nu nog in ontwikkeling. Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak deze indringender toetsing in vier uitspraken van 15 november 2016 gepreciseerd: ECLI:NL:RVS:2016:3007, ECLI:NL:RVS:2016:3008, ECLI:NL:RVS:2016:3009 en ECLI:NL:RVS:2016:3010. Mede op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 had de Afdeling bestuursrechtspraak al eerder duidelijk gemaakt dat de bestuursrechter in alle gevallen ook de daadwerkelijke uitzetting van een vreemdeling ten volle kan toetsen. In een uitspraak van 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, is de rechtspraak over het systeem van rechtsbescherming bij uitzetting nog eens samengevat.

Indringender toetsing in boetezaken

Ook in boetezaken die bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanhangig zijn, is de indringendheid van de toetsing veelvuldig aan de orde geweest. De paragraaf de strenge overheid in dit jaarverslag gaat uitgebreid in op de ontwikkelingen op dit punt.

Indringender toetsing bij toepassing beleidsregels

Een ander voorbeeld van indringender toetsing is de toetsing bij toepassing van beleidsregels. Op 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak – anders dan voorheen – geoordeeld dat omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. In de praktijk blijkt dat, ook al heeft het bestuursorgaan bij het opstellen van de beleidsregel deze omstandigheden bezien, het daarmee niet heeft kunnen voorzien of deze omstandigheden alleen of tezamen in een concreet geval niettemin tot onevenredige gevolgen leiden. Het bestuursorgaan moet naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak dan ook alle omstandigheden van het geval betrekken in zijn beoordeling. En het moet bezien of deze omstandigheden op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze bijzondere omstandigheden maken dat het handelen volgens de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de beleidsregels worden gediend.

Einde ne bis-beoordelingskader

In haar uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak haar jurisprudentie over de toetsing van besluiten op tweede of latere asielaanvragen aangepast. Tot deze uitspraak toetste zij een besluit op een tweede of latere aanvraag alleen als de vreemdeling iets nieuws had aangevoerd, de zogeheten ‘nova’. Als de vreemdeling niets nieuws had aangevoerd en ook niet onmiskenbaar bleek dat hij in zijn land van herkomst gevaar liep, was er voor rechterlijke toetsing van het besluit op de tweede of latere aanvraag geen plaats. Aanleiding voor het verlaten van deze lijn in asielzaken is de systematiek van de Procedurerichtlijn. Die bevat ‘een uitdrukkelijke beoordelingssystematiek’ voor de staatssecretaris bij tweede of latere asielaanvragen. Die beoordelingssystematiek is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Dit betekent dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie opvolgende asielaanvragen kan afwijzen vanwege het ontbreken van nova, maar dat ook kan doen op inhoudelijke gronden. De bestuursrechter zal dat besluit voortaan als uitgangspunt moeten nemen bij zijn toetsing. Hij zal niet meer uit zichzelf beoordelen of er nova zijn of niet. In de uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak verder overwogen dat als een vreemdeling geen opvolgende asielaanvraag indient maar een verzoek aan de staatssecretaris doet om een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht vanaf de datum van die eerdere aanvraag in te willigen, de staatssecretaris op dat verzoek zal moeten beslissen. Hij kan niet volstaan met de beoordeling of de vreemdeling vanaf het moment van indiening van zo’n verzoek in aanmerking komt voor verlening van de asielvergunning. Als de staatssecretaris een dergelijk verzoek niet inwilligt en de vreemdeling beroep instelt, moet de bestuursrechter dat asielbesluit op dezelfde manier toetsen als een besluit op een opvolgende asielaanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in haar uitspraak van 22 juni 2016 bepaald dat zij wat in deze uitspraak is overwogen voortaan ook zal toepassen op andere zaken dan asielzaken, waarin het besluit is gebaseerd op de Vreemdelingenwet 2000 of op de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Dit gelet op de verwevenheid tussen asiel- en reguliere procedures sinds de inwerkingtreding van de Wet Modern Migratiebeleid en voor de rechtseenheid binnen de vreemdelingenrechtspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bepaald dat de nieuwe lijn geldt met onmiddellijke ingang, omdat deze wijziging in de rechtspraak begunstigend is voor vreemdelingen.

Op 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak deze nieuwe lijn doorgetrokken naar andere dan vreemdelingenzaken. In alle gevallen zal het besluit van het bestuursorgaan op een opvolgende aanvraag als uitgangspunt worden genomen bij de toetsing. Datzelfde geldt voor verzoeken aan een bestuursorgaan om terug te komen van een besluit. De bestuursrechter zal dus niet meer uit zichzelf beoordelen of er door de aanvrager iets nieuws is aangevoerd of niet. Als het bestuursorgaan een herhaalde aanvraag of een verzoek terug te komen van een eerder besluit op inhoudelijke gronden afwijst alsof het de eerste aanvraag is – in plaats van te beoordelen of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn – dan wordt het besluit ook getoetst alsof dit het eerste besluit op de aanvraag is. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft ook hier bepaald dat de nieuwe lijn met onmiddellijke ingang geldt, ongeacht in welk stadium van behandeling de zaak zich bevindt.

Dat de hoogste bestuursrechters het belang van rechtseenheid onderkennen, blijkt daarna wederom en wel uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872. In deze uitspraak heeft de Centrale Raad in een zaak op het terrein van het socialeverzekeringsrecht overwogen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 november 2016 te onderschrijven en met onmiddellijke ingang deze nieuwe lijn te hanteren.