Cookies en Raadvanstate.nl

Mag Raadvanstate.nl cookies op uw computer plaatsen? De Raad van State maakt gebruik van cookies voor het bijhouden van webstatistieken en incidenteel voor andere doeleinden zoals een gebruikersonderzoek. Er worden tijdens uw bezoek geen cookies geplaatst door anderen dan de Raad van State zelf. Meer informatie op raadvanstate.nl/cookies.

Ja, ik accepteer de cookies

Raadvanstate.nl verzamelt anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

Nee, ik accepteer de cookies niet

Raadvanstate.nl verzamelt geen anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

 

Noemenswaardige uitspraken

In 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraken gedaan met grote maatschappelijke belangstelling.

Uitspraak over gaswinning in Groningen

Een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak met een groot maatschappelijk belang was de uitspraak van 18 november 2015 over de gaswinning in Groningen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in deze uitspraak zowel het instemmingsbesluit van de minister van Economische Zaken van januari 2015 als zijn wijzigingsbesluit van juni 2015 vernietigd.

Uitspraak over vuurwerkverbod centrum Hilversum

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft in de uitspraak van 21 december 2015 geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Hilversum mocht bepalen dat in een deel van het centrum geen consumentenvuurwerk mag worden afgestoken rond de jaarwisseling. Een aantal vuurwerkhandelaren had de voorzieningenrechter gevraagd het vuurwerkverbod te schorsen. Zij vreesden een omzetdaling, omdat bewoners van het aangewezen gebied volgens hen geen vuurwerk meer zullen kopen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het gemeentebestuur bevoegd het vuurwerkverbod in te stellen. In het kader van deze spoedprocedure wegen de belangen van het gemeentebestuur om gevaar, schade en overlast te voorkomen in het aangewezen deel van het centrum zwaarder dan het relatief geringe financiële belang van de vuurwerkhandelaren, aldus de voorzieningenrechter. Daarom heeft de voorzieningenrechter hun schorsingsverzoek afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak zal in de loop van 2016 een definitieve uitspraak doen in deze zaak.

Uitspraak over afwijzing subsidieaanvraag van Holland Opera

Voer voor fijnproevers op het gebied van subsidieverlening is de uitspraak van 15 juli 2015 over de afwijzing door het Fonds Podiumkunsten van een subsidieaanvraag van Holland Opera. Het gevolg van de uitspraak is dat het Fonds Podiumkunsten een nieuw besluit moet nemen over de subsidieverlening aan Holland Opera, waarbij het fonds gehouden is aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over de rangorde tussen Holland Opera en Tafel van Vijf.

Uitspraken over de ladder voor duurzame verstedelijking

De Afdeling bestuursrechtspraak wordt geregeld geconfronteerd met zaken waarin door concurrenten
– ondernemingen of vastgoedeigenaren – beroep wordt ingesteld tegen hun onwelgevallige planologische beslissingen. Vaak wordt daarbij ook een beroep gedaan op de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking, die is verankerd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de uitspraak van 20 mei 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak tot dan toe bestaande jurisprudentie gepreciseerd over het relativiteitsvereiste in relatie tot een beroep op de ladder voor duurzame verstedelijking. In het kort komt die precisering erop neer dat wanneer een concurrent stelt dat een besluit strijdt met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro daarbij feiten en omstandigheden naar voren moeten komen die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand zal kunnen leiden. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in deze uitspraak vervolgens een indicatie gegeven wanneer zodanige relevante leegstand zich al dan niet voor zou kunnen doen.

In een latere uitspraak van 9 september 2015 heeft zij vervolgens aanleiding gezien haar jurisprudentie verder te verfijnen. Uit deze uitspraak volgt, kort gezegd, dat wanneer een concurrent zich bevindt in de directe nabijheid van de locatie waar de betwiste ontwikkeling is voorzien en hij de stelling betrekt dat door die ontwikkeling leegstand kan ontstaan in zijn eigen omgeving, wat weer kan leiden tot verloedering en een verslechtering van het ondernemersklimaat, er niet snel reden is het relativiteitsvereiste tegen te werpen bij een beroep op de ladder voor duurzame verstedelijking. De uitspraken van 20 mei en 9 september geven, in samenhang bezien, aldus een tamelijk genuanceerd beeld over wanneer er aanleiding is een concurrent het relativiteitsvereiste tegen te werpen bij een beroep op de ladder voor duurzame verstedelijking.

Uitspraak over geluidverdeelplan

In de uitspraak van 4 februari 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geaccepteerd dat een zogenoemd geluidverdeelplan, als onderdeel van een zonebeheerplan voor een industrieterrein, deel uit mag maken van een bestemmingsplan. Een dergelijke regeling heeft volgens deze uitspraak een ruimtelijk relevant karakter. Met het geluidverdeelplan wordt immers beoogd een doelmatige verdeling van de beschikbare geluidruimte over de diverse percelen van het industrieterrein – en daarmee een doelmatig grondgebruik – te waarborgen. Dit doel kan niet worden bereikt door het stellen van geluidgrenswaarden aan individuele inrichtingen bij de verlening van omgevingsvergunningen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in deze uitspraak wel enkele randvoorwaarden geformuleerd om een dergelijke planregeling uit oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar te kunnen achten.

Uitspraak over gebruiksregels

Op 6 mei 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in een uitspraak uiteengezet in hoeverre gebruiksregels in een bestemmingsplan van belang kunnen zijn in relatie tot een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden getoetst aan de bouwregels en de bestemming. Die bestemming kan nader worden ingevuld door specifieke gebruiksregels door daarin een concrete uitleg te geven van het gebruik dat met die bestemming in overeenstemming is. Een gebruiksverbod dat in de planregels is opgenomen, moet dan ook worden betrokken bij de toets of het aangevraagde in overeenstemming is met de bestemming. De gebruiksregel zal echter niet meer kunnen worden tegengeworpen aan de vergunninghouder als overeenkomstig de aanvraag een – inmiddels in rechte onaantastbare – omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend die uitdrukkelijk het beoogde gebruik omvat, al is dat in strijd met de gebruiksregel.

Uitspraak over bed-bad-broodopvang

Op 26 november 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan over de zogenoemde bed-bad-broodopvang. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mag naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak bij het bieden van onderdak (‘bed, bad, brood’) in een vrijheidsbeperkende locatie van een uitgeprocedeerde vreemdeling eisen dat hij meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland. Dat is alleen anders in geval van bijzondere omstandigheden. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat de vreemdeling geen rechtstreeks beroep kan doen op het Europees Sociaal Handvest. De beslissingen van het Europees Comité voor Sociale Rechten over de uitleg van dit handvest zijn niet bindend voor de landen die partij zijn bij dit verdrag. De beslissingen zijn volgens de Afdeling bestuursrechtspraak echter wel gezaghebbend en kunnen een rol spelen bij de uitleg van artikelen die de rechter wél rechtstreeks kan toepassen, zoals de mensenrechten uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het EVRM verplicht de staatssecretaris niet om uitgeprocedeerde vreemdelingen onvoorwaardelijk onderdak te bieden. Als de vreemdeling weigert mee te werken aan zijn vertrek uit Nederland, dan mag de staatssecretaris hem onderdak weigeren. De staatssecretaris moet er echter wel rekening mee houden dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarbij hij niet van de vreemdeling mag verlangen dat hij meewerkt aan zijn vertrek. Zulke bijzondere omstandigheden doen zich voor als blijkt dat de vreemdeling vanwege zijn psychische gesteldheid niet kan overzien dat als hij niet meewerkt, hij geen onderdak krijgt van de staatssecretaris.

Uitspraak over beoordeling geloofwaardigheid seksuele gerichtheid

Op 8 juli 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan over de asielaanvragen van drie mannen uit Gambia, Afghanistan en Oeganda, die vanwege hun seksuele gerichtheid voor asiel in Nederland in aanmerking wilden komen. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft hun asielaanvragen afgewezen, omdat hij de seksuele gerichtheid van de vreemdelingen ongeloofwaardig vindt. In deze zaken stelde de Afdeling bestuursrechtspraak eerder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg. Zij wilde weten welke grenzen het recht van de Europese Unie stelt aan het onderzoek en de beoordeling van de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid. Het Hof van Justitie heeft deze vragen bij arrest van 2 december 2014 beantwoord.

De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de werkwijze die de staatssecretaris in het algemeen hanteert bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van een vreemdeling, binnen de grenzen van het Unierecht blijft. Zo stelt de staatssecretaris geen vragen over seksuele activiteiten van vreemdelingen en betrekt hij geen beeldmateriaal van seksuele handelingen van vreemdelingen in zijn onderzoek en beoordeling. Anders dan in andere landen verricht hij ook geen medisch onderzoek naar de seksuele gerichtheid van een vreemdeling.

De staatssecretaris heeft echter niet duidelijk gemaakt hoe hij de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid in concrete gevallen wél beoordeelt. Zo heeft de staatssecretaris niet inzichtelijk gemaakt op welke vragen en antwoorden het zwaartepunt ligt en hoe hij de gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt. Omdat er geen beleidsregel of vaste gedragslijn is op basis waarvan de staatssecretaris de seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt, is het ook voor de bestuursrechter niet mogelijk om een besluit op dit punt effectief te toetsen. Het is nu aan de staatssecretaris om hieraan in het vreemdelingenbeleid nadere invulling te geven. Omdat de staatssecretaris onvoldoende heeft kunnen verduidelijken hoe hij de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van de drie vreemdelingen heeft beoordeeld, zal hij opnieuw moeten beslissen op hun asielaanvragen, met inachtneming van deze uitspraak. Ook in deze uitspraak blijkt van doorwerking van Europees recht in het beantwoorden van de rechtsvraag.

Verder heeft ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 oktober 2015 over het aangescherpte boetebeleid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen veel aandacht getrokken.