Cookies en Raadvanstate.nl

Mag Raadvanstate.nl cookies op uw computer plaatsen? De Raad van State maakt gebruik van cookies voor het bijhouden van webstatistieken en incidenteel voor andere doeleinden zoals een gebruikersonderzoek. Er worden tijdens uw bezoek geen cookies geplaatst door anderen dan de Raad van State zelf. Meer informatie op raadvanstate.nl/cookies.

Ja, ik accepteer de cookies

Raadvanstate.nl verzamelt anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

Nee, ik accepteer de cookies niet

Raadvanstate.nl verzamelt geen anonieme bezoekgegevens ter verbetering van de website.

 

Conclusiezaken en grote kamer

In 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak tweemaal een conclusie gevraagd aan een staatsraad advocaat-generaal. In een zaak uit 2014 waarin een conclusie was gevraagd aan een staatsraad advocaat-generaal deed de Afdeling bestuursrechtspraak in 2015 uitspraak.

Recht op toeslagen bij meerderjarige, inwonende stiefkinderen

Op 1 juli 2015 deed de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak in een zaak over zorgtoeslag en kindgebonden budget. In deze zaak had de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak eind 2014 aan staatsraad advocaat-generaal Keus een conclusie gevraagd. In de uitspraak oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak bestuurlijk in lijn met het advies van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal dat bij de totstandkoming van de gewijzigde Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet is beoogd om stiefkinderen, anders dan voorheen, op een andere wijze te behandelen dan eigen kinderen. De wetgever lijkt niet altijd voldoende oog te hebben (gehad) voor het bestaan en de positie van stiefkinderen, terwijl de wetgever bij andere gelegenheden stief- en eigen kinderen wel gelijk behandelt, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Stiefkinderen moeten daarom volgens haar op grond van de Awir gelijk worden gesteld aan eigen kinderen.

Correctie op relativiteitsvereiste

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in 2015 een conclusie gevraagd aan staatsraad advocaat-generaal Widdershoven in een zaak over het bestemmingsplan ‘Blaloweg en Katwolderweg (voormalig Shell-terrein en omgeving)’ van de gemeente Zwolle. Het bestemmingsplan maakt een nieuwe bouwmarkt mogelijk in Zwolle waartegen een concurrerende bouwmarkt in beroep is gekomen. Volgens de concurrerende bouwmarkt kan de nieuwe bouwmarkt niet voldoen aan diverse veiligheidsnormen. De vraag is of de concurrent een beroep kan doen op deze normen of dat het relativiteitsvereiste zich daartegen verzet. De staatsraad advocaat-generaal heeft op 2 december 2015 zijn conclusie uitgebracht. Hij heeft geadviseerd het relativiteitsvereiste te corrigeren, in die zin dat “de schending van een wettelijke norm die niet de bescherming beoogt van de belangen van een belanghebbende, kan bijdragen tot het oordeel dat het vertrouwensbeginsel of gelijkheidsbeginsel is geschonden”. Deze beginselen beogen immers wel de belangen van belanghebbenden te beschermen.

Vervallen van bevoegdheid om een voorschot te herzien of toeslag vast te stellen

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in 2015 aan staatsraad advocaat-generaal Keus een conclusie gevraagd in een aantal zaken over het vervallen van de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een voorschot te herzien of een toeslag definitief vast te stellen na verloop van een termijn van vijf jaar. De zitting was op 14 december 2015. De staatsraad advocaat-generaal heeft zijn conclusie op 27 januari 2016 uitgebracht. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen voorschotten kinderopvangtoeslag uiterlijk vijf jaren nadat ze waren verstrekt, in het nadeel van de aanvrager kan herzien. Deze termijn komt overeen met de termijn waarbinnen de definitieve vaststelling van een toeslag op grond van de Awir kan worden herzien. Daarnaast kan ervoor worden gekozen de mogelijkheid van herziening van verleende voorschotten of lagere vaststelling van de toeslag te koppelen aan de uiterste ‘redelijke termijn’ waarbinnen een toeslag moet worden vastgesteld. Die uiterste ‘redelijke termijn’ zou kunnen worden bepaald op drie jaren. Dat is ook de termijn waarbinnen een belastingaanslag definitief moet worden vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak zal in de eerste helft van 2016 uitspraak doen in deze zaken.

Grote kamers

Ook in 2015 zijn uitspraken gedaan door een grote kamer, gevormd door leden van verschillende colleges.

Zo heeft een grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 28 januari 2015 in twee zaken uitspraak gedaan over de termijn waarbinnen herziening van een uitspraak kan worden gevraagd (uitspraak in de zaak 201406317/2/A4 en uitspraak in de zaak 201407367/2/A4). Verder hebben twee leden van de Afdeling bestuursrechtspraak deel uitgemaakt van een grote kamer van de CRvB over betalingsonmacht van griffierecht. Deze grote kamer heeft op 13 februari 2015 uitspraak gedaan. Tot slot hebben twee leden van de Afdeling bestuursrechtspraak zitting gehad in een grote kamer van het CBb in een zaak over een boeteoplegging. In die zaak is aan staatsraad advocaat-generaal Keus een conclusie gevraagd. Op 25 maart 2015 heeft de grote kamer uitspraak gedaan in deze zaak.